Carp*

Column: Naar de kartbaan

Naar de kartbaan

“Kunnen we beginnen met een oefenrondje?,” vroeg mijn vrouw bezorgd.

We waren onderweg naar de kartbaan. Dat had ik namelijk beloofd. Twee jaar eerder.

“Waarom?”

Ik wist dat ze nog nooit gekart had. Een beetje zenuwen is niet zo raar. Mijn rol om haar gerust te stellen.

“Dan rijd je daar allemaal tussen de mannen, die je omver rijden,” antwoordde ze.

De angst voor testosteron. Op wielen.

“Het is middag, lieverd, die mannen werken. Er rijden alleen kinderen.”

Ik loog natuurlijk. Was ik geen man? Met een vrije dag?

“Ik zag op de website dat je verschillende vlaggen had,” vervolgde ze. “Ook een zwarte voor als er een ongeluk is gebeurd of als je iets aan je banden hebt.”

Ze had zich een beetje te goed voorbereid. Doen alle vrouwen dat zo? Ik kon me niet herinneren iets anders op de site gezien te hebben dan de prijs en het adres.

“Dat is gewoon standaard veiligheidsbeleid joh. Moet je ze eens vragen hoe vaak ze die gebruiken.”

Niet doen. Niet doen.

“En speciale stoelen tegen het krijgen van een whiplash,” wist ze verder te melden. “Ik dacht, Jezus, wat kan er allemaal gebeuren?”
Het werd steeds erger. Waar was ze mee bezig? Ik moest grof geschut gebruiken, anders wilde ze nog terug naar huis ook.

“Schat, het staat op je bucket list. Je wilt niet sterven zonder dit gedaan te hebben. Je gaat toch niet iets op je bucket list zetten en dan niet durven? Je gaat toch niet zeggen dat je te oud bent om te karten?”

“Ik denk dat mijn botten te zwak zijn na de bevallingen.”

Nee, ja. Geef mij maar de schuld.

“Het zijn geen botsautootjes. Het is niet de bedoeling dat je iemand omver rijdt. Je moet natuurlijk wel doorrijden. Anders rijden ze van achter tegen je aan. Je moet ook geen 50 rijden op de snelweg.”

Terwijl ik het zei, wist ik dat ik het niet moest zeggen.

“Baby, ik word steeds banger. Kunnen we niet naar een tuincentrum?”

Er kwam een flits voorbij van een lounge set. Zo’n mooie, die precies in de hoek van ons terras past, met lekkere kussens. En er was een tuincentrum naast de kartbaan. Was dit mijn kans om ‘m er doorheen te drukken?

Nee, we moesten door. Het nakomen van beloftes. Om de zoveel tijd maakt mijn vrouw mij het verwijt dat ik dat niet doe. Een juweel, samen karten, een wereldreis. Noem het, en ze zit er nog steeds op te wachten. Om mijn reputatie te redden moesten we karten.

Dus we reden door. En parkeerden bij de kartbaan. En liepen naar binnen. Kwestie van voldongen feiten creëren.

We moesten even wachten totdat een team een toernooitje had afgerond. Maar toen waren wij aan de beurt. Als enige twee in onze heat. Er was niemand meer. Geen andere deelnemers in het veld. Nergens.

“Twaalf minuten lang oefenrondjes rijden,” zei ik. “Geen stieren met een helm op die achter je aan jagen.”

Ik loog natuurlijk.
 

07 Juli om 15:47 uur